Hein Klompmaker
Een dorpenpas

Onlangs kwam in de pers, dat het Hunebedcentrum het initiatief heeft genomen voor een “Dorpenpas”. Zo’n pas biedt de houder gratis entree in het Hunebedcentrum in 2012. Het zijn de langdurig werklozen, mensen in de bijstand en WMO-ers, die in aanmerking komen voor de ‘dorpenpas’.

Museumbezoek schiet er bij deze groep door benauwde financiën veelal bij in. Op de pas staat het credo: ‘Cultuur is voor iedereen”

 

Dat is ook wat wij bij het Hunebedcentrum werkelijk vinden. Er zouden in een ideale maatschappij geen drempels moeten bestaan om kennis te nemen van ons erfgoed. In die samenleving weet iedereen wat erin het verleden gebeurd is, zodat niet dezelfde “fouten’ in de toekomst gemaakt kunnen worden. Dat soort noties. En niet alleen voor hoger opgeleiden. Voor iedereen. Het Hunebedcentrum is geen dating-site uitsluitend voor hoger opgeleiden ( u kent de reclame toch wel?). Durven wij die strijd aan? Reken maar van Jazz!

 

Mij trof daarbij onlangs een onverwacht verwijt. Wij zouden aan ‘inkomenspolitiek’ doen. Dat leek me stug. We hebben wel te maken met ‘de politiek’, maar we doen er niet aan. Wat was wel bedoeld? Nou, de een verdient meer dan de ander. Als je mensen die weinig verdienen een steuntje in de rug geeft, worden de verschillen kleiner. Dat klopt. Als je medemenselijkheid en oer- Drentse naoberhulp ziet als ‘inkomenspolitiek” en dus ( sic!) als ongewenst, dan ben je nog nooit werkeloos geweest ( en weet je niet wat dat voor je kan betekenen). Je zou als bijstandsmoeder je kinderen graag naar een museum sturen, of naar de Muziekschool, maar je kunt het niet betalen. Jammer dan voor die kinderen?

 

Het Hunebedcentrum wordt van de gratis entreepas niet beter. In sommige landen kan iedereen gratis naar het museum. De overheid betaalt het, maar in ons land niet. Wij verdienen bijvoorbeeld 82% van onze begroting zelf in. Een museum is echter meer dan een entreeverschaffer; ze is ook een sociale instelling.  Ze heeft niet alleen de hand op de portemonnee, maar je mag ook hopen: het hart op de goede plaats.

 

Elke instelling, elke gemeente, die zich bij ons initiatief wil aansluiten, is van harte welkom. Niet moeilijk doen, niet zoeken naar wetten en praktische bezwaren, geen belemmerende regels verzinnen, maar iets doen. Niet zeuren, maar poetsen. In godsnaam: doe iets!

 

Idealisme? Zou best kunnen, maar…..so what?

GEWOGEN EN TE LICHT BEVONDEN. (Archeoloog als detective deel 14)

Groot was onlangs de nieuwswaarde van de opgraving in en rond de woning van Gemmeker, commandant van Kamp Westerbork in de Tweede Wereldoorlog. Archeologisch onderzoek naar sporen van zo’n 80 tot 100 jaar oud. Mooi en interessant. Een nieuwe invalshoek is geboren: artefacten zoeken uit de Tweede Wereldoorlog en daarvoor de tuin en vuilstortplaats opgraven van een woning, die we – hoe wrang de geschiedenis ervan ook is – een monument mogen noemen.

 

Toch wordt ik er een beetje cynisch van. Opgraven was toch vernietigen? We zouden toch, als het niet nodig was geen monument belasten met een archeologische opgraving? Dat zouden we toch een paar honderd jaar minstens uitstellen? Dan zouden we pas nieuwe probleemstellingen hebben en – wie weet – niet eens meer hoeven opgraven? Had de directeur van het Herinneringscentrum geen belang bij een opgraving om zijn museum op de kaart te zetten? Dat laatste immers is tegenwoordig ook een argument om juist niet op te graven. Dat de Tweede Wereldoorlog geen Neolithicum is, weet ik ook wel. Dat een hunebed geen commandantswoning is, is ook heel waarschijnlijk. Dat er meer hunebedden zijn, dan commandantswoningen van Kamp Westerbork staat zelfs als een paal boven water. Dus: kom niet aan met dat soort dooddoeners.

 

Wat zijn we aan het doen? Wat al duizenden jaren in de grond zit (het bodemarchief van een hunebed bijvoorbeeld) Laten we zitten, want het conserveert zo mooi. Wat nog geen 80 jaar in de grond zit graven we op, voordat het verrottingsproces er greep op krijgt. Het klinkt niet alleen volstrekt onlogisch en onwetenschappelijk, het is het ook.

 

Het provinciale standpunt over het opgraven van een hunebed is hetzelfde – zo mocht ik onlangs vernemen – als de particuliere opvatting van de Provinciaal Archeoloog: we graven pas een hunebed op als er nieuwe probleemstellingen worden geformuleerd naar aanleiding van nog in het depot liggend oud materiaal. We gaat het zeker niet doen, omdat een museumdirecteur dat wil, want die heeft er vuige commerciële bedoelingen mee om zijn museum op de kaart te zetten. Stel je voor dat er veel mensen op af komen, die het bar interessant vinden. Brrrr, oh gruwel, we moeten er niet aan denken.

 

Dan de tuin van Gemmeker en de vuilstort op het kampterrein. We gaan kijken, wat we terug kunnen vinden van de verschillende bewoningsgroepen (Joden, Duitsers, NSB-ers, Molukkers). Nooit eerder vertoond, Archeologen op zoek naar artefacten! Uniek, nieuw, dat we daar niet eerder op gekomen zijn. En ja hoor, er is al het een en ander gevonden. Zo diepte men een zelfgemaakte ring op, die tentoongesteld gaat worden, samen met 70 (!) kratten vondstmateriaal. De media brengen het groots. Als daar maar niet horden mensen op af komen.

 

Ik ben een groot voorstander van deze opgraving. Dat het publiek er veel belangstelling voor heeft is goed voor ons erfgoed, goed voor de archeologie, goed voor de presentatie van ons historisch bewustzijn. De kennis van Kamp Westerbork wordt er hoogstwaarschijnlijk, maar niet zeker, wat groter door. Mooi allemaal!

 

Toch is het opvallend hoe stil het is geworden. Geen archeoloog gehoord, die voorstelde niet op te graven; géén (emeritus) hoogleraar die zich er mee heeft bemoeid. Geen discussie over het nut en de noodzaak van opgravingen voor de archeologie, geen enkele opmerking over de vernietiging van het bodemarchief. Het is stil gebleven. Doodstil!

 

Ondertussen heeft Dirk Mulder (directeur van het Herinneringskamp) in zijn eentje de archeologische wereld in Drenthe in zijn hemd gezet: ze is gewogen en te licht bevonden.  

Hunebedden op het zand

Onze Nederlandse hunebedden liggen vrijwel zonder uitzondering op zandgrond. Dat is niet overal in Europa zo, maar bijvoorbeeld bij Albersdorf (90 km. boven Hamburg) in Noord-Duitsland liggen ook zes hunebedden op zandgrond. Dat is van belang, omdat de verzuring in zandgrond zo snel gaat, dat we bijvoorbeeld na een jaar of 5000 geen botten meer terugvinden, zelfs geen “lijksilhouetten” van mensen of dieren. “Nou en? Hoor ik u roepen. Lekker belangrijk”. Ja, toch wel, want de bouwers van de hunebedden kunnen we zo niet terugvinden in of bij een hunebed. Er zijn wel twee bijkomstigheden, die nog wat soelaas bieden (verbrande botten = crematieresten, kunnen wel zo lang in de bodem “overleven” en er kunnen wel ‘jongere’ bijzettingen in een hunebed voorkomen, bijvoorbeeld uit de Bronstijd of nog dichter bij ons heden.

 

Het hunebed op zandgrond-gegeven wordt ook wel gebruikt om in onze tijd geen hunebed meer op te graven. Daar zijn nog andere redenen ook voor, waarop ik al vaak heb gereageerd, maar daar gaat het nu even niet om. Op 26 augustus 2011 is het Hunebedcentrum uitgenodigd om in het Duitse Albersdorf een opgraving van een hunebed te komen zien. Een bijzondere belevenis, zeker ook als je bedenkt, dat de Duitsers doodleuk een hunebed opgraven dat op het zand ligt. In Nederland wordt dat als een zinloze bezigheid gezien: wat je wilt vinden (overblijfselen van menselijke of dierlijke aard, bijvoorbeeld), dat vind je niet (want zandgrond) en wat je wel vindt, is meer van hetzelfde (gebruiksvoorwerpen b.v., die al zo vaak en zo veel zijn geborgen).

Domme Duitsers? Ik denk het eerlijk gezegd niet. De opgraving, die nog een week of twee doorgaat mag zich verheugen in veel buitenlandse belangstelling. Zweedse, Deense en Schotse archeologen (de in Trechterbekercultuur-kringen ‘wereldberoemde’ Margareth Mitschley b.v., die ook aanwezig was op onze Borger Meeting in 2009) komen allemaal een kijkje nemen. De Universiteit van Kiel, die vijf proefschriften en 55 AIO- plaatsen besteedt aan Trechterbekercultuur, heeft de supervisie op de opgraving, die door een team van zo’n 20 medewerkers wordt uitgevoerd.

 

Als museum zijn we zeer geïnteresseerd in de nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de Trechterbekercultuur om de voor de hand liggende redenen. Daarom ook hebben we een pleidooi gehouden om ook in Nederland weer eens een hunebed op te graven. Vanuit wetenschappelijke kringen is daartegen gereageerd. Dat kan, mag en moet kunnen. Tot op heden is er geen hoop op een welwillende houding, helaas. Persoonlijke argumenten hebben de discussie nogal vervuild. We moeten echter wel blijven nadenken. De Nederlandse archeologische wereld heeft zich nog niet in Albersdorf gemeld. Een teken aan de wand.   

“Im Westen nichts neues”

Onze oosterburen, de Duitsers, graven in Albersdorf bij Hamburg een hunebed op. In Nederland zijn archeologen als Van der Sanden en Emiritus- hoogleraar Louwe Kooijmans daar felle tegenstanders van. Vermoedelijk hebben ze uit hoffelijkheid nog geen protest laten horen bij hun collega van de Universiteit van Kiel, Prof. Johannes Müller. Als we in Nederland doorslaggevende redenen hebben om geen hunebed op te graven, waarom zouden ze dan net over de grens daar wel goede redenen voor kunnen hebben?

 

Een goeie vraag eigenlijk. Er zijn geen goede vraagstellingen te bedenken om juist nu een hunebed op te graven. Het levert alleen maar op, wat we al weten. Zandgrond is de vreselijke verzuurder, die de sporen die we wensen te vinden, al lang heeft uitgewist. Er zijn geen nieuwe methoden, die we kunnen toepassen, zodat we meer uit de bodem kunnen halen. We moesten wachten op betere tijden. Dat zijn de argumenten tegen de opgraving van een hunebed in Nederland. Gelden die niet voor de Duitsers, de Denen of de Zweden? Die graven wel hunebedden op.

 

Als we eens nader kijken naar de redenen, waarom in Albersdorf wordt opgegraven, dan kunnen we beter beoordelen, of wij nou zo slim zijn, of zij nou zo dom.

 

In een aantal kortere blogs, ga ik in op de vraag wat de Universiteit van Kiel voor ogen staat met haar grootschalige onderzoek van de Trechterbekercultuur, wat zij verwacht te winnen met het opgraven van hunebedden, welke vraagstellingen daarbij zijn geformuleerd en zo nog wat zaken die interessant zijn.

 

Interessant zeker voor het Hunebedcentrum, dat de Trechterbekercultuur centraal heeft gesteld in haar museum. Interessant ook voor bezoekers en andere geïnteresseerden om te bezien, of er nieuwe ontwikkelingen te signaleren zijn, die een dieper inzicht kunnen verschaffen in het volk dat de hunebedden bouwde en de ‘latere’ gebruikers van hun monumentale graven. In Nederland beperkt zich het onderzoek van archeologen vooralsnog tot het bestuderen van ‘oud’ opgegraven materiaal, dat al tientallen jaren in depots ligt te wachten. Ook interessant, maar het lijkt me heel wat spannender en nieuwsgierig makend om met de methoden van nu eens te kijken hoe ver we zijn opgeschoten. Van het westelijk front (Nederland) is veel minder te verwachten, dan van wat de Duitsers aan het doen zijn. Zij noemden opgravingen van het Langbett (LA.56) “zwingend erförderlich” en voegde de daad bij het woord (juli-aug. 2011). In Nederland zouden we dat misschien “stemmingmakerij” noemen en juist niet opgraven.

Een interdisciplinaire opgraving

Stel even voor het gemak, dat je een hunebed zou willen opgraven. Stel ook even voor het gemak dat je D.27 daarvoor zou uitkiezen. Wat zou je dan moeten doen?

Erg belangrijk is een goede voorbereiding. Wat is er al gevonden en welk resultaat levert modern onderzoek van die sproren op. Van D.27 is al het een en ander aan vondsten bekend: er is in 1983 door René Edens wat aardewerk en een paar crematieresten geborgen. Die kun je onderzoeken op datering  Aardewerk kun je bijvoorbeeld relateren aan het horizontenschema van Bakker of Brintley. De variëteit zegt je iets (maar niet alles) over de Trechterbekerperiode, waarin het hunebed gebouwd en gebruikt is. De crematierest blijkt uit C-14 onderzoek uit de Bronstijd te dateren (zo’n 800 v. Chr). Dat zegt je iets over het gebruik van het hunebed door latere prehistorische culturen (maar niet alles). Vervolgens laat je een grondscan uitvoeren en koppelt daaraan een wel of niet gerechtvaardigde interpretatie. Die interpretatie neem je mee in je overwegingen, of probleemstellingen voor de opgraving. Je kunt zo controleren, of de interpretatie klopte of niet. Je kunt zo de vondsten van een grondscan voor de archeologie bepalen. (Alleen twijfel over de resolutie is niet genoeg!) En zo is er nog wel het een en ander dat vóóraf onderzocht kan en moet worden.

Van belang is vooral dat je nadenkt over welke vormen van wetenschap iets kunnen bijdragen, wat nog niet eerder in de beschouwing is betrokken. Onnodig te zeggen, dat je je dat niet afvraagt, ook niet hoeft af te vragen, als je een opgraving verwerpt. Hieronder som ik wat wetenschappen op die aan het onderzoek zouden kunnen bijdragen. Van elk daarvan zou je je kunnen afvragen waar een opgraving een bijdrage zou kunnen leveren.

Sporen van wilde en gedomesticeerde planten en dieren, sporen van menselijke aard: biologie kan een bijdrage leveren. Neurologie zou iets kunnen toevoegen over de werking en de evolutie van het brein en de hersenen. Hoe gaan we en gingen we om met angst, pijn, liefde, agressie, mededogen. Ecologie en geologie leveren aanwijzingen voor de ‘diepere’ tijd. Sociologie over de ontwikkeling van het samenleven in familie, stam of groepsverband. Historie levert aanwijzingen over het denken over het hunebed in de geschreven tijd en over de ontwikkeling van het (archeologische) onderzoek van hunebedden in de wetenschappelijke en filosofische zin van het woord.

Graaf je op, doe dan meer dan alleen archeologisch onderzoek, maar probeer een wetenschappelijke stap voorwaarts te zetten door een team samen te stellen dat samen de voorbereiding en de resultaten van onderzoek bestudeert. Daartussen in maak je gebruik van de specifieke kennis van archeologen. In ieder geval, in  hemelsnaam, laat het niet alleen aan archeologen over. Dan haal je per definitie minder uit de bodem aan kennis en nieuw inzicht, dan wanneer je een interdisciplinair team samenstelt,. Als historicus mis ik natuurlijk archeologische kennis en als museumdirecteur zie ik voordelen voor het vertellen van het verhaal aan het (grote) publiek. Dat is ongetwijfeld waar. Neurologische, biologische, geologische, sociologische en ecologische kennis van zaken heb ik ook al niet. Ik ben niet meer dan een redelijk geïnformeerde amateur. Hebben archeologen dat allemaal wel in huis, dan hou ik me zeker muisstil.Uit pure bewondering, zal ik met open mond hun verrichtingen gadeslaan. Het kan ook zijn, dat hun kennis zo groot is, dat we nog 100 of 200 jaar op een opgraving moeten wachten. Het zij dan zo….ze zijn dan gewoon te goed om tegen te spreken.

Barcelona speelt voetbal van een andere planeet. Daarom winnen ze altijd. Zo moet je dat ook ongeveer zien bij sommige archeologen: regel 1, ze hebben altijd gelijk en regel 2, als ze het hier niet gelijk hebben, treedt automatisch regel 1 in.

 

HOE SEXY IS GEOLOGIE (VOOR KINDEREN)? DEEL 2


In vakanties heb je een goede kans – of volgens sommigen een groot risico – dat je in een soort slow mood komt. Even de boel de boel laten en relaxen, maar ook nieuwe verbazingen opdoen. Het heeft een onmiskenbaar nadeel, wanneer je terugkomt op je werk en je probeert de draad onmiddellijk weer op te pakken. Dat valt tegen: je bent even alles kwijt en moet je weer inlezen in waar je mee bezig was. Ik ben echter niet de enige die in zijn vakantie plotseling iets bijzonders ziet, of een eureka-gevoel ondergaat. Deze zomer overkwam dat ook onze voorzitter, Hans van Ewijck, de naamgever van onze keientuin. In Noorwegen zag hij een geweldige installatie, waarbij kinderen als een soort gouddelvers op zoek gaan naar mineraal gesteente. Als ze dat eenmaal gevonden hebben, leren ze de namen van de gesteenten. Hoe gaat dat in zijn werk? Het museum levert zakjes zand met daarin verborgen stukjes van bijzondere minerale gesteenten. De installatie van hout zorgt voor stromend water en zeefmateriaal (zie de foto’s). Kinderen zeven zo hun mineralen uit het zakje zand, bewaren ze in een afsluitbaar plastic zakje en bekijken (thuis bijvoorbeeld) de kaart met voorbeeldgesteenten om zo te bepalen of ze met kwarts, pyriet of obsidiaan te maken hebben. Ik ben al lang geen kind meer (al zou ik zeker iedereen willen aanraden iets van het kind in jezelf te koesteren), maar denk dat zo’n activiteit heel erg leuk is. Het zou me niet verbazen, als er zo jonge onderzoekers worden gekweekt, die nieuwe geologisch waardevolle verzamelingen gaan aanleggen en – spelenderwijs, dus zonder een nadrukkelijk leermoment – heel veel leren over mineralen, fossielen en uiteindelijk geologie. In het kader van het project Geopark Hondsrug kunnen we dit soort ideeën en de – wat mij betreft – verbluffende creativiteit van de eenvoud, heel goed gebruiken. Zo’n slow mood kan wonderen doen. Het biedt een alternatief voor de haastigheid en vaak ondoordachtheid van het dagelijks leven in ons tijdsgewricht. Meer vakantie dus.

LUKIS EN DRYDEN: INTUÏTIEVE INTERPRETATIE (DEEL 8)

Wetenschap begint met het verzamelen van feiten. Het ‘Report’ van Lukis is zo’n poel van feiten. Hij schreef immers op wat hij, samen met Sir Henry Dryden, in 1878 in Drenthe had uitgespookt. Naast feiten – in dit geval opgeschreven zinnen – kunnen we niet zonder interpretatie: een visie of hypothese die voortvloeit uit die feiten. Op pagina 6 staat een zinnetje, dat een interpretatie verdient: “Whenever human bones have been found, they have belonged exclusively, I believe, to cremated bodies.” Een mooie volzin, die vragen oproept. Er staat niet dat hij, Lukis, menselijke botten heeft gevonden, of misschien toch? Schrijft hij hier over vondsten of mededelingen over vondsten van anderen? In ieder geval geeft hij met het tussenzinnetje ‘I believe’ aan, dat het om een opvatting of een mening gaat, die hij zich eigen heeft gemaakt. Zou Lukis misschien toch ook zelf…..? Een intuïtieve interpretatie dringt zich aan mij op: Lukis en Dryden hebben in Drenthe in 1878 crematieresten gevonden. Hoe kom ik daarbij? Dat is een combinatie van andere zinnen uit het ‘Report’, uit een vorm van empathische psychologie en uit kennis rond het grondradaronderzoek van het Hunebedcentrum (mei 2010). Het zit zo: Lukis heeft gegraven in ‘a few hunebeds’, dat schrijft hij zelf. Daarbij heeft hij, naar eigen zeggen, rapend en gravend delen van bijna 200 verschillende ‘urnen’ gevonden. Een urn is ook voor Lukis een pot met crematieresten. Nergens schrijft hij dat hij zelf crematieresten heeft geborgen, maar het geciteerde zinnetje schuurt langs het toegeven ervan. Hij wil het niet onomwonden zeggen, kan dat eigenlijk ook niet , want hij had geen toestemming om op te graven, maar hij is er diep van binnen zo trots op, dat hij in de Londense kring van de Society of Antiquaries het niet kan laten er – wat omfloerst en vaag – melding van te maken. Psychologie van de koude grond, zou je kunnen zeggen. Eens. Maar ook puur wetenschappelijk gezien kan het niet worden uitgesloten. Er zijn meer aanwijzingen, liefst ook onomstreden bewijzen, nodig om de hypothese te staven of te ontkrachten. Het grondradaronderzoek (mei 2010) leverde drie oudtijds doorspitte plekken op in het grootste hunebed. Wie dat heeft, of hebben, gedaan weten we niet. Het is ook maar zeer de vraag of het bewijs nog te leveren valt. Voor de hand ligt het in ieder geval om de collectie, die Lukis en Dryden schonken aan het Drents Museum nader te bestuderen. Ook om een idee te krijgen hoeveel scherven zijn meegenomen naar Londen, maar vooral om erachter te komen welke paar hunebedden tot aan de keldervloer door de heren zijn ingespit. Misschien ook D27. Interpretaties hebben soms een heel kort leven. Eens zien hoelang deze stand houdt. Duidelijk is wel, dat zowel de historische als de archeologische wetenschap nodig zijn om antwoorden te krijgen.

DELEN VAN KENNIS EN KUNDE

Delen van kennis en kunde Ik kan een paar dingen, die niet iedereen kan en heel veel dingen, die anderen beter kunnen dan ik. Op mijn leeftijd – ik ben nu 56 – is het niet zo moeilijk (meer) om dat toe te geven en er naar te handelen. Er naar handelen is overigens weer niet zo gemakkelijk, want dat is niet bepaald een eenrichtingsverkeer. Bij ons project ‘Het geheim van het grootste hunebed’ zijn veel vaardigheden en kennisgebieden betrokken. Ik noem er maar wat op: - Archeologisch vondstmateriaal moet worden onderzocht door diverse gespecialiseerde deskundigen: gebruikssporenonderzoek; aardewerkdeskundigen, vuursteendeskundigen, C-14-deskundigen, hunebeddeskundigen. - Vondstmateriaal moet worden ‘vertaald’ naar een museale presentatie, daar komt museale deskundigheid en onder meer ook vormgeving bij kijken. - Van ‘Het geheim van het grootste hunebed’ wordt een documentaire gemaakt. Daarvoor heb je een goed scenario en creatieve filmer nodig. - Voor non-destructief onderzoek van de bodem heb je geofysische kennis nodig. - Voor wat er in de loop der eeuwen met het hunebed gebeurd is, kun je deels in het Historisch Archief terecht: historische deskundigheid dus. - Voor boringen, sleuven of eventueel opgraven heb je gespecialiseerde archeologische bedrijven nodig. - Voor een onderzoek naar stenen heb je geologen nodig. - Voor communicatie met het publiek heb je PR- en marketingdeskundigheid nodig (dat hebben we overigens in huis). Om alle gegevens in een geordend verband te kunnen zetten heb je kennis op hoog wetenschappelijk niveau nodig en coördinerend en integrerend vermogen. Wil je er ook nog over publiceren, dan heb je een uitgever nodig (en iemand die kan schrijven). Een boel dingen derhalve, die we kunnen samenvatten onder de noemer ‘multidisciplinariteit’. En wat je ook nog nodig hebt is tijd en natuurlijk ook geld. En… ik stop maar met opsommen: ik word er zelf al moe van. Zoveel is duidelijk: multidisciplinair werken is een moeizame weg, maar het is ook duidelijk dat je op die manier veel meer en vooral veel samenhangender kennis vergaart. Dan moet iedereen wel mee willen doen, natuurlijk.

DE MAGNETOMETER

Samen met collega Harrie Wolters bezocht ik eind augustus een Deens collegamuseum in Moesgård bij Århus. Een zeer inspirerende en leerzame twee dagen trokken we op met Niels Anderson, bijzonder hoogleraar in de prehistorie van het Neolithicum, en twee van zijn medewerkers. De Deense hunebeddentijd is in vergelijking tot de Nederlandse vooral veel gevarieerder, veel omvangrijker en veel meer onderzocht. Niels Anderson vertelde bijvoorbeeld, dat hij in zijn lange archeologische carrière zo’n 32 ‘passagegraves’ en ‘dolmen’ heeft opgegraven. Zet dat af tegen één hunebed (Drouwenerveld) 40 jaar geleden in Nederland en iedereen zal begrijpen, dat de Nederlandse archeologische kennis over de hunebedden schril afsteekt bij de Deense. In de twee dagen dat we te gast waren, hebben ze ons zo’n 30 dolmen, nederzettingssporen, palissadesporen en een verbluffende hoeveelheid artefacten laten zien, die het verhaal van de hunebedbouwers een bijzondere kleur geven. We spraken af, dat eind 2011 – begin 2012 een tentoonstelling over Deense dolmen naar het Hunebedcentrum zal komen. Een mooie gelegenheid om te beoordelen, of ik heb overdreven of niet. Het leukste van ons tripje was misschien wel, dat we de werking van een magnetometer in het veld hebben mogen meemaken. Zo’n magnetometer is enigszins te vergelijken met onze GroundTracer: Ook met dit apparaat wordt de grond gescand op ‘anomalieën’: afwijkingen van het geijkte patroon in de bodem. Tatjana, de ‘piloot van de magnetometer’ formuleerde het als volgt: “The machine is always right, the only thing that can go wrong is our interpretation of the data.” Het leuke is echter, dat er eigenlijk meteen gezorgd wordt voor bewijs. Stel even, dat de machine aangeeft dat er een spoor van een dolmen in de grond zichtbaar is. Dan gaan ze precies op de coördinaten van de ‘verstoring’ meteen graven om te bezien of het klopt. En jawel hoor: in “all cases” – in de woorden van Niels – blijkt de ‘verstoring’ te duiden op de verwachtte sporen uit de prehistorie. Juist in de week van ons bezoek ‘ontdekte’ Niels op deze wijze tien verdwenen hunebedden. Tien! Zouden wij ook moeten doen. Toetsen of de GroundTracer gelijk heeft door te graven. Iedereen weet inmiddels zo’n beetje wel, dat daar veel archeologisch-behoudzuchtig verzet tegen is, dus kunnen we eerst misschien beter een ‘tussenbewijs’ gaan zoeken. We scannen het hunebed en de omgeving ook nog eens met een magnetometer en vergelijken de uitkomsten met die van de GroundTracer. Door beide non-destructieve methoden aan elkaar te ijken, kunnen we meer zekerheid verkrijgen. Daarmee zou de ontwikkeling van het non-destructieve onderzoek in de archeologie vooruit kunnen worden geholpen. Nog beter: daarna gaan we opgraven om het ultieme bewijs te leveren.

LUKIS EN DRYDEN 7

Lukis gaf in zijn ‘Report’ over de reis door Drenthe (1878) onomwonden en met een zekere trots toe, dat hij artefacten had geraapt en ook had gegraven in ‘a few hunebeds’ tot de keldervloer en zo – zonder overdrijving – bijna 200 fragmenten van urnen had gevonden. Was dat alles? Nee! Op pagina 4 vermeldt hij ook nog zeven vuurstenen pijlpunten, een stuk van een bijl van dioriet, et cetera te hebben verzameld. Dat ‘et cetera’ is natuurlijk interessant. Op dit moment weten we niet wat we daaronder zouden moeten verstaan. De oogst – fragmenten van bijna 200 urnen, zeven pijlpunten en een stenen bijl plus wat er nog bijkwam – afgezien van een paar fragmenten, ‘was presented to the Assen Museum’. Daar moet het dus nog liggen, als het goed is. Dat gaan we aan Jaap Beuker vragen. Belangrijke tussenconclusie is echter nu al dat het bezoek van Lukis en Dryden aan Drenthe – zowel voor de opmetingen en de precieze tekeningen als ook door de verzamelde artefacten – veel meer is geweest, dan een voetnoot in de geschiedenis van het hunebeddenonderzoek. Maar we zijn er nog niet. Er is meer. Wat mij intrigeert is de vraag, wat ze precies hebben gedaan bij het hunebed van Borger. Fragmenten zijn verzameld, dat stond al vast, maar was het in Borger allen maar ‘rapen’ of ook ‘graven’? Ons grondradaronderzoek uit 2010 laat in ieder geval zien, dat er op drie plaatsen in het hunebed ‘oudtijds’ is gespit. Zou één van die spitacties van Lukis en Dryden zijn geweest en ééntje misschien van Titia Brongersma (1685)? Vragen waar – zonder opgraving – geen antwoord op te geven valt. Er is oudtijds gespit in het grootste hunebed. Of Lukis dit ook heeft gedaan is nog niet te bewijzen, maar ook niet uit te sluiten. Ten slotte nog even wat over de wat mysterieuze term ‘urnen’, die Lukis gebruikt. Urnen immers bevatten in de moderne definitie crematieresten. Wat er ooit aan crematieresten in een hunebed is gevonden, is zonder uitzondering – tot dusverre in ieder geval – allemaal behoorlijk jonger dan de Trechterbekercultuur en veelal een teken van een zogenoemde na-bijzetting. Was voor Lukis een urn ook een pot met crematieresten? Ik denk het wel. Op pagina 6 van het ‘Report’ schrijft hij: “Whenever human bones have been found they have belonged exclusively, I believe, to cremated bodies”. Het begrip ‘urn’ dus zoals het ook nu nog bedoeld wordt. Natuurlijk roept dat weer vragen op. De belangrijkste lijkt wel, of er bij de 200 urnen van Lukis alleen sprake is geweest van scherven, of … ook van crematieresten? We weten het (nog) niet. Wel weten we, dat René Edens in 1983, dus ruim 100 jaar later, wel vier flintertjes gecremeerd bot verzamelde en ook in het gezeefde materiaal van de Rijksdienst uit hetzelfde jaar bevond zich één botfragment.